Ik reis op zondagochtend met de trein van Deventer naar Nijmegen. Op het perron is het, tegen mijn verwachting in, erg druk. Gelukkig blijkt de trein lang genoeg om iedereen een zitplaats te bieden. Eerlijkheid gebiedt mij om te zeggen dat ik deze keer niet bewust voor een stiltecoupé heb gekozen, maar de tekst op het raam, STILTE SILENCE, maakte duidelijk dat ik bof. Althans, dat dacht ik.
Vanaf het begin zijn twee jonge mensen luid en duidelijk met elkaar in gesprek. Ik overweeg er iets van te zeggen, maar doe het niet. Ik heb er geen zin in, het vraagt toch altijd enige moed om zoiets te doen, zeker in een redelijk volle coupé. Daarnaast, zoals gezegd, ik heb niet bewust gekozen voor een rustige plek dus vind van mezelf dat ik het gebrek aan rust moet accepteren.
Een wijze gedachte, maar het lukt me niet om mijn irritatie los te laten. Allerlei gedachten en vragen vliegen door mijn hoofd: ,,Is het zo moeilijk om een tijdje je mond te houden? Misschien hebben ze niet door dat ze niet mogen praten. Ben ik in overdreven mate van de regeltjes, nee toch? Het gaat voor mij over respect, rekening houden met elkaar! Hoe was ik zelf op die leeftijd? Ben ik de enige die hier een mening over heeft? Heb ik last van dat geklets of van mijn moreel kompas?”
Op ieder tussenliggend station hoop ik dat de bron van mijn ergernis uitstapt, maar niets is minder waar. In Dieren stappen nog wat jongeren in en al snel breidt het gesprek zich uit. Een van hen merkt zelfs lachend op dat ze in een stiltecoupé zitten, en een ander vult aan dat ,,zoiets nergens op slaat, zóó ongezellig, om niet met elkaar te kletsen”. Hilariteit alom.
Inmiddels ben ik te kwaad om er alsnog op een fatsoenlijke manier iets van te zeggen. Mijn gedachten razen door, gedachten die zich laten samenvatten in de ongemakkelijk vraag: zijn zij asociaal of ben ik oud en intolerant?