ik kijk naar de verbogen rails
van voormalig kamp Westerbork, ik denk
aan een zwart-wit beeld, een meisje,
gestreepte kleren, een goederenwagon
gestolen leven

op mijn netvlies verschijnt een man
in tranen, besmeurd met bloed
op een berg puin, in zijn armen
een klein meisje, een jaar of drie, dood
gestolen leven

gestolen levens
in de stompzinnige vuist, die woede
leegte en pijn verdooft door
een vijand te benoemen om alles
te vernielen, te verbieden, af te nemen

alles wat de ander mens,
medemens maakt